Drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup, drup.

De regen valt met grote druppen op de weg. Een straaltje water spuit over mijn zadel op mijn onderrug. Het opspattende water spetterd in mijn ogen. Het meegekomen zand schuurt langs de randen van mijn ogen. De ketting kraakt zachtjes tussen het gespetter door.

Ondertussen wordt het tempo opgeschroeft. Ik had geen idee hoe hard het ging. Het scherm van de kilometereteller was bedekt met druppen ,waardoor het onleesbaar geworden was. Ik was tot op het bot nat. En ineens, pffffssss. Een lekke band.

 “Ja, je rijd nooit lek als het 30 graden is en het zonnetje schijnt.”

Daar stonden we dan, midden op de Posbank. Terwijl de hemel zich op ons leeg goot. We zochten een droog plek en ik verwisselde mijn band. “Het is typisch weer om lek te rijden”, zei ik tegen hem. “Ja, je rijd nooit lek als het 30 graden is en het zonnetje schijnt.”, antwoorde hij. “Nee, dat zou te makkelijk zijn”, zei ik.

Dat zou inderdaad te makkelijk zijn. Voor wielrenners. Wielrenners zijn bij voorbaat doorzetters. Als je halverwege opgeeft, dan komt je nooit thuis. Dat is het belangrijkste dat ik van het wielrennen geleerd heb. Je moet nooit en te nimmer opgeven. Ook al rijd je 3 maal lek, wordt je voor de vierde maal op de dag nat en knapt je ketting, midden op de Cauberg. Als je opgeeft ben je zwakker dan je tegenstander. Dan ben je geen wielrenner meer. Dan stap je in de bezemwagen en geef je hopeloos op.

Elke keer als het regent, en ik ben nat tot op het bot, zeg ik tegen mezelf: ‘Ik ben nog lang niet zo nat als toen op de Posbank’, en fiets ik nog een ronde extra.

Wouter